logo
logo
Aanmelden
monthly-house-view-may-2026

Missiecontrole

In april 2026 legden de vier astronauten van Artemis II een afstand van meer dan 400.000 km vanaf de aarde af, waarmee ze het afstandsrecord van Apollo 13 uit 1970 verbraken. Ze maakten zo de eerste bemande reis rond de maan sinds 1972. Deze ‘ambassadeurs van de mensheid naar de sterren’ boden ons een nieuw perspectief met hun foto ‘Earthset’ – een echo van de iconische foto ‘Earthrise’ die 57 jaar geleden werd gemaakt.
Door de aarde vanaf zo’n grote afstand te bekijken, herinnerden de astronauten ons eraan hoe klein en kwetsbaar onze wereld werkelijk is. Vooral in een tijd waarin zoveel afhangt van de 34 kilometer brede Straat van Hormuz. Dat is een smalle doorgang die voor een groot deel van de beschaving de belangrijkste 'bottleneck' is geworden voor de wereldwijde handel en energiebevoorrading.

Wereldwijde energiedreiging

Zoals Fatih Birol, hoofd van het Internationaal Energieagentschap (IEA) al uitdrukkelijk stelde, heeft het huidige conflict rond Iran geleid tot de ”grootste bedreiging voor de wereldwijde energiezekerheid in de geschiedenis“. Hoewel de uitkomst van deze crisis nog niet vaststaat, is dit alvast duidelijk: geen enkele regering zal zich vrijwillig strategisch afhankelijk maken van zo’n smalle zeestraat die wordt gecontroleerd door een onvoorspelbare buur.
Om deze kwetsbaarheid te verminderen, zijn aanzienlijke investeringen in nieuwe infrastructuur onvermijdelijk. De Saoedische Oost-West-pijpleiding kan bijvoorbeeld tot 7 miljoen vaten per dag vervoeren. Dat is minder dan de helft van de 15 miljoen vaten die doorgaans via de Straat van Hormuz worden vervoerd. Dat volstaat echter niet. De wereld moet nu een groot deel van de export van olie, aardgas, kunstmest, zwavel en helium – die voor veel landen van cruciaal belang is – omleiden. Deze export verloopt momenteel door deze smalle corridor, een anomalie die moet worden aangepakt.
Dit tekort onderstreept de dringende behoefte aan alternatieve routes, een grotere pijpleidingcapaciteit en nieuwe havens om de wereldwijde energiezekerheid te waarborgen. Het zal jaren duren voordat dergelijke projecten zijn voltooid, maar niemand kan nog ontkennen dat we de risico’s in de wereldwijde toeleveringsketens moeten temperen.

Afhankelijkheid van fossiele brandstoffen

De gevolgen voor Europa zijn onmiddellijk merkbaar. Prijsstabiliteit is een heet hangijzer geworden nu de door energieprijzen aangewakkerde inflatie sterk stijgt. We verwachten nu dat de totale inflatie in 2026 3% zal bedragen, met pieken van meer dan 4% in de loop van het jaar, wat een aanzienlijke uitdaging vormt voor het mandaat van de Europese Centrale Bank (ECB) op het gebied van prijsstabiliteit. Zoals voorzitter Lagarde onlangs opmerkte: ”We bevinden ons opnieuw in een andere wereld, waarvan de krijtlijnen nog niet duidelijk zijn.“
De energieafhankelijkheid van Europa is haar grootste achilleshiel. Het is een pijnpunt dat nog eens extra wordt benadrukt door de crisis in Oekraïne en nu ook door de hernieuwde instabiliteit in het Midden-Oosten. De gevolgen reiken verder dan alleen de inflatie en hebben ook invloed op de groei, het concurrentievermogen en de overheidsfinanciën. Hoewel de eerste fase van de Europese energietransitie werd aangestuurd door milieuverplichtingen in het kader van het Akkoord van Parijs, is de drijfveer daarachter aan het veranderen. De directe fiscale en economische kosten van herhaalde energieschokken nopen nu tot dringende maatregelen.
Volgens de Europese Commissie zijn er tussen 2026 en 2030 jaarlijks investeringen van ongeveer 660 miljard euro nodig om de doelstellingen op het gebied van duurzame energie te halen. Hoewel dat een titanenwerk lijkt, zet het alternatief, met name de 400 miljard euro die Europa jaarlijks uitgeeft aan de invoer van fossiele brandstoffen, de voordelen op lange termijn van een versnelde transitie in de verf. Zodra de infrastructuur op punt staat, zal lokaal opgewekte hernieuwbare energie slechts een fractie kosten van de huidige import. De focus zal daarom komen te liggen op het herstel van de overheidsfinanciën en het bereiken van meer prijsstabiliteit.
Strategische autonomie – ooit een breed en vaak vaag begrip – richt zich steeds meer op nationale veiligheid en technologische soevereiniteit. De focus ligt nu op defensie, geavanceerde technologieën zoals artificiële intelligentie (AI), kritieke infrastructuur en het veiligstellen van de toegang tot essentiële natuurlijke hulpbronnen, met name voor landen die het meest kwetsbaar zijn voor verstoringen in de bevoorrading. Die evolutie zorgt ervoor dat het economisch beleid wordt afgestemd op de geopolitieke prioriteiten in Europa, het Midden-Oosten, China en de Verenigde Staten, waardoor een duidelijker en duurzamer beleggingsthema ontstaat.